Hoe blijf je als stad economisch relevant? Hoe kun je als middelgrote stad opboksen tegen de aantrekkingskracht van een G5-stad? Overal zitten ‘hidden champions’. Dat is een belangrijke boodschap die Gert-Jan Hospers afgeeft in het recent verschenen Handboek Stedelijke Economie.
Andersom torst een grote stad soms ballast. Succes hangt samen met keuzes maken, en de bereidheid om het eigen belang soms onderschikt te maken aan het regionale belang. Het beginsel geografische nabijheid behoeft ondertussen bijstelling. ‘Het gaat steeds vaker ook om cognitieve nabijheid.’
9 oktober: seminar ‘Regio’s met lef'
Meld je nu aan voor het seminar ‘Regio’s met lef – Ruimte maken voor de economie van morgen' met drie topregio's die scherpe keuzes hebben gemaakt. Gert-Jan Hospers is co-referent. Klik hier voor meer info en aanmelden.
Belangrijke constatering na lezing van Hospers boek is dat stedelijke economie geen sector is, maar over alles gaat. Vertaald naar ASML in Brainport Eindhoven: voor het aantrekken van talent volstaat arbeidsmarktbeleid niet. Het gaat ook over wonen en het algehele leefklimaat. ‘Een samenhangende aanpak vereist coördinatie, afstemming en samenwerking tussen silo’s’, aldus Hospers, bijzonder hoogleraar sociale geografie aan de Radboud Universiteit, in de ‘uitleiding’ van zijn 200 pagina’s tellende en zeer toegankelijk geschreven boek.
Als het verleden iets duidelijk maakt, dan is het wel dat steden beter kunnen voortbouwen op hun eigen karakter dan mee te doen met de karaoke.

Het boek bevat naast stedelijk-economische theorie praktijkcasuïstiek van voorbeeldsteden die met doordacht beleid, scherpe keuzes en dosis toeval boven de middelmaat uitstijgen. Hospers waarschuwt voor kopieergedrag. ‘Wat werkt in Parijs of Wenen of Helsinki is niet per se geschikt voor Papendrecht, Hengelo of Wageningen.’
Toch vinden stadsbestuurders het volgens hem lastig weerstand te bieden tegen de laatste trends, modes en hypes in het EZ-beleid. ‘Jammer, want als het verleden iets duidelijk maakt, dan is het wel dat steden beter kunnen voortbouwen op hun eigen karakter dan mee te doen met de karaoke.’ Ergens in het boek verwijst Hospers naar de drie bruggen van de beroemde architect Calatrava in de Haarlemmermeer. Die maken van de polderstad nog geen Valencia, Dublin of andere hotspot.
Drachten: een echte stad
Aanstekelijk is het inleidende verhaal over Drachten, de tweede stad van Friesland. Hospers schrijft dat sommige mensen het weigeren een stad te noemen omdat Drachten nooit stadsrechten heeft gehad.
Dat de plaats toch stedelijk is, ligt volgens Hospers niet alleen aan de bevolkingsomvang. Ook de werkgelegenheidsfunctie en het voorzieningenniveau maken Drachten volgens hem een stad. Cruciaal is de vestiging van Philips in 1950 geweest. Het elektronicaconcern zette er een scheerapparatenfabriek neer die al snel de grootste werkgever werd. De komst van Philips zorgde voor een sneeuwbaleffect dat tot op heden voortduurt.
Rond de fabriek vestigden zich toeleveranciers. ‘De Haven’ is inmiddels het grootste industrieterrein van Noord-Nederland. Ook al heeft Drachten geen NS-station, er ligt wel een airstrip. Die maakte het mogelijk dat de Philips-directie makkelijk vanaf Eindhoven kon invliegen. De invloed van de Philipsvestiging, waar 1700 mensen werken (bron: Philips), is nog steeds groot. In 2014 legde de onderneming de basis voor het Innovatiecluster Drachten waar hightechbedrijven en kennisinstellingen voortbouwen op de industriële basis van de stad.
Waar demografen geneigd zijn bevolkingsgroei of krimp deels als gegeven te zien, gaat het in dit boek juist over de vraag waarom de ene stad harder groeit dan de andere stad. Het antwoord vanuit de economische theorie is eenvoudig. ‘Richt je als stad op stuwende, dat wil zeggen krachtige op export gerichte activiteiten, want die zorgen dankzij het geld dat je ermee verdient voor groei.’ Deels is dit een resultaat van multipliereffecten. Drachten is met haar shaver-industrie een mooi voorbeeld, die naast toeleveranciers ook algemeen verzorgende banen aantrekt.
Specialiseren of diversifiseren?
Een ander ‘deugd’ die in Hospers’ boek voorbij komt is ‘kiezen’ (‘kies en wordt gekozen’). Maar bij die theorie hoort een bijsluiter. Oude industriesteden hebben laten zien wat de risico’s zijn als je in een ‘monostructuur’ belandt, aldus Hospers desgevraagd in een telefonische toelichting. ‘Uiteindelijk is het nooit goed alle ballen op één sector te zetten. Diversificatie kan bovendien ook kruispunttechnologieën voortbrengen.’ Hij wijst op Senseo, als een inmiddels klassiek voorbeeld van kruisbestuiving tussen Philips en Douwe Egberts.
In zijn boek refereert Hospers aan de Zwitserse stad Neuchâtel, waar op de fundamenten van de uurwerkindustrie een florerend economisch cluster is ontstaan rond medische meetapparatuur en precisie-instrumenten. Deze ‘slimme specialisatie’ is verwant aan het idee van ‘gerelateerde variëteit’. De boodschap: innovatie komt niet uit de lucht vallen, maar leunt in de praktijk vrijwel altijd op bestaande economische activiteiten.
Om een goed beeld te krijgen van specialisatie in je eigen regio volstaat een blik in het KVK-register met zogenaamde SBI-codes (Standaard Bedrijfsindeling) volgens Hospers niet altijd. SBI-codes geven namelijk niet altijd de werkelijkheid weer, zeker niet bij stuwende en toekomstgerichte sectoren. Zo bleek uit onderzoek van bureau Innovatiespotter in 2017 dat 63 procent van de bedrijven in Assen-Groningen die actief zijn op energiegebied niet opgenomen in de categorie energie. ‘Vaar niet blind op statistisch materiaal, maar heb altijd oog voor het verhaal achter de cijfers’, schrijft Hospers.
Oost west, thuis best
Bedrijven zijn relatief honkvast: 89 procent verhuist binnen de eigen provincie. 81 procent zelfs binnen de regio. ‘Oost west, thuis best’, noteert Hospers. De meeste bedrijfsverplaatsingen komen voort uit weinig strategische overwegingen, zoals een gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden, een weinig representatief gebouw, organisatorische redenen of een slechte bereikbaarheid. Alleen kennisintensieve bedrijven zijn bereid om enorm in de buidel te tasten voor een A-locatie zoals Amsterdam.
Buitenlandse investeerders kiezen volgens Hospers eerst voor een continent, dan een land en daarna pas een stad. Dat zet te denken over het nut van handelsmissies die steden op eigen houtje organiseren. Los daarvan stelt Hospers dat steden er goed aan doen zich af te vragen of ze energie willen steken in het werven van multinationals. Want als deze bedrijven footloose zijn, heeft als consequentie dat ze zo weer vertrekken als het gras elders groener is.
Zorg er als stad voor dat de kip met gouden eieren niet wordt geslacht, en wees terughoudend met het binnenhalen van eksters.
Om de relatie tussen ondernemingen te duiden haalt Hospers de theorie van Finse economisch-geograaf Päivo Oinas aan. Zij onderscheidt ‘committed agents’, ‘indifferent agents’, ‘committed patients’ en ‘indifferent patients’. Hospers vertaalt dit als de ‘kip met gouden eieren’ (regionaal gebonden en regionaal gewenst), de ‘adelaar’ (een uithangbord en banenmotor, maar als de onderneming internationaal is aangestuurd, ligt relocatie altijd op de loer), de ‘huismus’ (een bedrijf dat de regio liever kwijt dan rijk is maar bijvoorbeeld vanwege de aanwezigheid van grondstoffen wel regionaal gebonden is) en de ‘ekster’ (een bedrijf dat de stad weinig te bieden heeft en vice versa). ‘Zorg er als stad voor dat de kip met gouden eieren niet wordt geslacht, en wees terughoudend met het binnenhalen van eksters.’
Belevingseconomie
Het leidt te ver om het hele hoofdstuk over innovatieve steden te behandelen, behalve om te benoemen dat van Peter Halls indeling in typologieën innovatieve steden de cultureel-technologische steden steeds belangrijker worden. Dit in verband met een groeiende belevings- en entertainmenteconomie.
De vraag is in hoeverre je als overheid op innovatie kunt sturen. Hospers waarschuwt voor al te hoge verwachtingen. Ga uit van specifieke lokale kenmerken, en schep de juiste randvoorwaarden, probeer verbindingen te leggen, en wees ook bereid om zelf te investeren. Dan nog is succes niet verzekerd. Hij sluit af met een citaat van Louis Pasteur: ‘Toeval is je gunstig gestemd als je erop voorbereid bent.’
1.300 regionale samenwerkingsverbanden
Het voorlaatste hoofdstuk gaat over de samenwerking tússen steden, door Hospers als de ‘regiostad’ aangeduid. Onderzoek naar 117 zogeheten PUR’s (polycentrische regio’s) door de Utrechtse economisch geograaf Meijers en twee andere collega’s toont volgens Hospers aan dat effectieve samenwerking leidt tot betere prestaties van die regio als geheel. In dichtbevolkte delen van Europa spelen stedelijke regio’s dan ook een steeds grotere rol. Alleen al in Nederland bestonden volgens Hospers in 2020 om en nabij de 1.300 van deze regionale samenwerkingsverbanden die hij omschrijft als een ‘lappendeken aan kluwen en relaties’. Het regioconcept is volgens Hospers een begrip van ‘boetseerklei’. Je kunt de grootte van het gebied simpelweg aanpassen en de grenzen ervan bepalen waar je maar wilt. Regionale samenwerkingen sorteren volgens hem het meeste effect als ze bestaan uit wisselende coalities rond gezamenlijke ambities.
Goede interbestuurlijke samenwerking kan het verschil maken. Voorwaarde: overheden moeten in staat zijn om instituties voortdurend aan te passen aan veranderende omstandigheden.
Als regionale bestuurders de meerwaarde niet overtuigend kunnen aantonen, is er actie nodig om het ‘democratisch gat’ te dichten. In de regio Utrecht is dat ondervangen door de Utrecht10 (U10) op te zetten, een netwerkorganisatie waarbij inmiddels zestien Utrechts gemeenten zijn aangesloten. Het is een lichte en open vorm van samenwerken binnen het ‘daily urban system’ van Utrecht met vijf thematische bestuurstafels. Afspraak is dat niet elke gemeente aan elke regionaal project hoeft mee te doen, terwijl afhankelijk van de opgave ook partijen van buiten de U10 mogen aansluiten zoals het Rijk, de provincie en de EBU (Economic Board Utrecht).
‘The strength of weak ties’
Regio’s kunnen meesters zijn van hun eigen lot, of juist speelbal van de buitenwereld zijn. Het ligt eraan hoe ze inspelen op condities en trends, gebruik maken van lokaal aanwezige kennis en/of andere ‘resources’, en strategieën inzetten. Hospers noemt digitalisering in de maakindustrie als een trend die perspectieven biedt voor gebieden met een industrieverleden. De regio Leipzig/Halle speelt daar handig op in, net zoals de Achterhoek, met als motto ‘Oerend Smart’. Goede interbestuurlijke samenwerking kan het verschil maken. Voorwaarde: overheden moeten in staat zijn om instituties voortdurend aan te passen aan veranderende omstandigheden.
Onderzoek naar innovatieve steden wordt gedomineerd door onderzoekers die zelf ook allemaal uit grote steden komen
Regionale ontwikkeling heeft alles te maken met adaptief besturen, aldus in het boek aangehaald PBL-onderzoek. Adaptief besturen vraagt een hoop bestuurlijke behendigheid, wendbaarheid en het vermogen van lokale bestuurders om draagvlak voor ‘de regionale zaak’ te creëren. De kracht zit volgens Hospers in bestuurlijke lichtheid (‘the strength of weak ties’). Zo kent de Regio Zwolle kent 21 gemeenten, verdeeld over 4 provincies. Voor de democratische legitimiteit is in 2020 de ‘klankbordgroep raden en staten regio Zwolle’ opgericht.
Agglomeratievoordelen
Die bereidheid tot samenwerking tussen steden kan een overlevingsstrategie zijn. Of dat is een onderliggend sentiment bij kleinere en middelgrote steden. Dat heeft weer alles te maken met een ander basisprincipe uit de stedelijke economie dat Hospers in het eerste hoofdstuk uiteenzet, namelijk het idee van agglomeratievoordelen. Het komt er in het kort op neer dat schaal en dichtheid ertoe doen. Door de aanwezigheid van veel mensen op een kluitje treden sharing- en matching-voordelen op. En als het niet allemaal dezelfde mensen zijn met dezelfde kennis en ervaring, ook learning-voordelen. Die leereffecten worden in de stedelijke economie aangeduid als kennis spillovers. Daar kunnen weer nieuwe ideeën uit ontstaan.
Hospers haalt zijn leermeester Jane Jacobs aan, die in haar analyse van New York zei dat je juist van iemand uit een andere context dan jezelf veel kunt leren. Daarvoor zijn third places heel belangrijk. Ofwel: informele ontmoetingsplekken. En waar is de kans op toevallige, ongeplande ontmoetingen groter dan in de grote stad?
‘Grootstedelijke bias’
Daarmee zijn we aangekomen bij misschien wel de belangrijkste vraag uit het boek: hoe kun je opboksen tegen de schaalvoordelen van een G5-stad? Dat kan volgens Hospers wel degelijk. De eerder genoemde Achterhoek is een prachtige illustratie. Te beginnen bij centrumstad Doetinchem. Een groot stedelijk centrum kun je Doetinchem niet noemen. Maar de stad herbergt wel hoogst innovatieve bedrijven, zo valt te lezen in het boek. Zoals Pas Reform, een van ’s werelds grootste fabrikanten van geavanceerde broedmachines, of Varex Imaging, ontwikkelaar en producent van hoogwaardige componenten voor röntgenapparatuur, en Nijhuis Saur Industries, leverancier van duurzame oplossingen voor watergebruik en energieterugwinning. Hospers schrijft dat netwerken in kleinere steden vaak heterogener zijn, simpelweg omdat er minder potentiële contacten van gelijkgestemden voorhanden zijn. Daar kunnen crossovers uit ontstaan. Maar het onderzoek naar innovatieve steden wordt gedomineerd door onderzoekers die zelf ook allemaal uit grote steden komen, waardoor volgens Hospers sprake is van een grootstedelijke bias.
Hidden champions
Wie goed kijkt, vindt overal in de regio ‘hidden champions’, zoals de door Hospers opgevoerde Duitse bedrijfseconoom Hermann Simon ze noemt. Doetinchem is ondanks het ‘ontbreken van de stedelijke bonus’ een innovatieve stad. En dat geldt voor de hele Achterhoek. Zonder grootstedelijke centrumstad heeft de streek zich ontwikkeld tot hoogtechnologische regio. De innovatieve bedrijven in de Achterhoek staan niet op zichzelf. Ze leunen voor hun voortbestaan nadrukkelijk op leveranciers en kennisinstellingen in Arnhem en Enschede, wat volgens Hospers een vorm van borrowed size (geleende agglomeratiekracht) is.
Maar Pas Reform in Doetinchem werkt op onderzoeksgebied eveneens samen met partijen in de VS en Brazilië. ‘Het gaat steeds vaker ook om cognitieve nabijheid’. Dat sluit volgens Hospers aan bij de ‘local buzz global pipelines’-theorie, die steeds meer aandacht krijgt.
Het Handboek Stedelijke Economie zit boordenbol tips en suggesties, veel meer dan in deze impressie te bespreken zijn. Eentje willen we de lezer niet onthouden: ga wat vaker op pad en zoek zelf naar de ‘hidden champions’ die achter het filter van SBI-codes verborgen blijven. Of het nu op stedelijke bedrijventerreinen is, of in de regio. Er zit veel moois bij dat misschien nog mooier kan worden als het aan de oppervlakte komt.
