In zijn Kamerbrief van 17 november benadrukt minister Karremans dat campussen en bedrijveninvesteringszones (BIZ) centrale plekken worden in het nationale omgevingsbeleid. Uit onderzoek blijkt echter dat campusgroei kwetsbaar blijft. ‘Zonder duidelijke keuzes van het Rijk stagneert de ontwikkeling,’ zegt Jesse Wermelink, adviseur Ruimte, Wonen & Economie bij TwynstraGudde en mede-auteur van het onderzoek. BIZ-expert Cees-Jan Pen noemt de verruiming van de wet ‘een stap in de goede richting’.

De Kamerbrief markeert een belangrijk moment: voor het eerst spreekt het Rijk expliciet uit dat campussen behoren tot de kern van het Nederlandse innovatie- en verdienvermogen. Karremans verwijst daarbij direct naar het landelijke onderzoek dat TwynstraGudde uitvoerde: ‘Ruimtelijke opgaven van campussen: analyse van ruimte, randvoorwaarden en ontwikkelperspectief’. Het onderzoek komt voort uit het Programma Ruimte voor Economie. Daarbij dient het onderzoek als input voor de Ruimtelijke Economische Visie (REV) en de Ontwerp-Nota Ruimte. Het onderzoek laat zien dat campussen steeds belangrijker worden in het economische ecosysteem, maar tegelijkertijd in een klem komen te zitten tussen uiteenlopende ruimteclaims.

Campussen zijn, zoals het ministerie benadrukt, brandpunten van onderzoeks- en innovatiesystemen. Het zijn locaties waar universiteiten, bedrijven en publieke investeringsprogramma’s samenkomen, en waar een aanzienlijk deel van de nationale R&D-middelen terechtkomt. Maar volgens de opstellers van het onderzoek is die positie minder robuust dan het op papier lijkt. Een groot deel van de campussen hebben voor de middellange termijn voldoende uitbreidingsruimte, maar die groei is kwetsbaar en sterk afhankelijk van de manier waarop het Rijk met ruimte, infrastructuur en regelgeving omgaat.

Beschermen schaarse ruimte

Wermelink ziet daarbij een duidelijke verschuiving. ‘De campussen die hebben deelgenomen aan het onderzoek, waarderen dat ze in de REV en de Nota Ruimte expliciet worden genoemd, maar ze willen vooral weten wat dat concreet betekent. Een benoeming is mooi, maar het gaat om de keuzes die daarop volgen.’ Die keuzes draaien vooral om het beschermen van schaarse ruimte voor hoogwaardige functies. In veel regio’s wordt de fysieke ruimte rond campussen tegelijkertijd geclaimd door met name woningbouwopgaven. Daardoor verdwijnt de vanzelfsprekendheid dat campussen ook op de lange termijn ruimte houden voor labs, pilotproducties, scale-ups en gedeelde onderzoeksfaciliteiten.

Het onderzoek laat zien dat campussen verschillende behoefteprofielen hebben. Universitaire campussen zien soms kansen voor studenten- of onderzoekershuisvesting, die juist kan bijdragen aan de levendigheid en aantrekkingskracht van het ecosysteem. Bedrijfsmatige campussen als Chemelot en Brainport Industries Campus in Eindhoven hebben daarentegen vaak te maken met veiligheidszones en milieuruimte, waardoor woningbouw uitgesloten is. Karremans staat in de Kamerbrief nadrukkelijk stil bij die verschillen: campussen moeten kunnen groeien, maar alleen met functies die passen bij hun economische rol.

Netcongestie groot probleem

Ruimte is niet de enige factor die de ontwikkeling beperkt. Netcongestie, stikstof en knelpunten in bereikbaarheid vormen minstens zo’n grote rem. Uit het onderzoek, waarbij 19 campussen zijn betrokken, blijkt dat een overgrote meerderheid, 13 in totaal, al direct hinder ondervinden van netcongestie. Op meerdere locaties liggen uitbreidingen stil omdat er simpelweg geen extra stroom kan worden geleverd. ‘Campussen proberen zelf tijdelijke oplossingen te vinden,’ zegt Wermelink. ‘Maar ze zeggen er meteen bij: dit helpt alleen in de marge. De echte oplossingen moeten van het Rijk komen.’ Ook de stikstofonzekerheid doet zich voelen. Het is voor campussen op dit moment minder een directe belemmering, maar wel een factor die investeerders terughoudend maakt. Daarbij komt een opkomend risico: drinkwater. Vooral in delen van Twente gelden volgens Wermelink inmiddels beperkingen op watergebruik,  wat nieuwe bedrijvigheid op termijn kan raken en pilotfaciliteiten op termijn kan raken.

Een terugkerend probleem dat TwynstaGudde scherp in beeld brengt, is het marktfalen bij cruciale voorzieningen. Startuphousing, gespecialiseerde labs en gedeelde testfaciliteiten komen vaak niet van de grond omdat de businesscase risicovol is en universiteiten niet onbeperkt mogen investeren voor derden. Private partijen stappen niet in, terwijl deze voorzieningen juist essentieel zijn voor de innovatieketen. ‘Dan ontstaat er een impasse,’ zegt Wermelink. ‘Iedereen ziet het belang, maar niemand kan het alleen betalen.’ In de Kamerbrief erkent Karremans dit als structurele opgave: het Rijk moet manieren vinden om onrendabele toppen weg te nemen en investeringen te delen met regio’s en bedrijven.

Aanpassing BIZ noodzakelijk

Naast campussen gaat de Kamerbrief ook in op de voortgang van de Wet op de Bedrijveninvesteringszones (BIZ). Sinds de invoering in 2015 kunnen ondernemers gezamenlijk hun bedrijfsomgeving verbeteren, maar de wet blijkt in de praktijk te rigide en administratief zwaar — vooral op bedrijventerreinen, waar de organisatiegraad vaak laag is. Slechts een vijfde van de bedrijventerreinen is überhaupt georganiseerd, en maar 3,4 procent beschikt daadwerkelijk over een BIZ. Dat staat in schril contrast met de grote maatschappelijke opgaven die juist op deze terreinen moeten worden gerealiseerd.

‘Als de minister verder wil doorpakken, moet hij in debat met de Kamer over het Rli-advies uit 2023: “Samen werken”

Volgens lector en bedrijventerreinexpert Cees-Jan Pen (Fontys) is aanpassing van de wet daarom noodzakelijk. ‘Het is weer een stapje in de goede richting, maar het moet leiden tot een fondsgerichte impulsaanpak voor bedrijventerreinen,’ zegt hij. ‘Er moet echt worden geïnvesteerd, én veel meer worden geagendeerd dat de samenwerking flink beter moet. Maar ik ben blij met de voortvarendheid van Karremans.’

Pen is er trots op dat het eerdere onderzoek dat hij samen met collega’s van Fontys, CLOK en Erasmus Universiteit Rotterdam uitvoerde, nu wordt opgepakt. Volgens hem is het ‘charmeoffensief’ rond BIZ’en en de verruiming van de regels belangrijk om verduurzaming op bedrijventerreinen te versnellen. ‘Als de minister verder wil doorpakken, moet hij in debat met de Kamer over het Rli-advies uit 2023: “Samen werken”. En het Rijk moet nu echt met een opknapfonds voor duurzame bedrijventerreinen komen. Dat is hard nodig om bestaande ruimte beter, slimmer en intensiever te benutten.’

Bestuurlijke versnippering

De Kamerbrief onderstreept verder de bestuurlijke versnippering waar campussen last van hebben. Bij ruimtelijke vraagstukken spelen diverse departementen een rol: EZK, OCW, BZK, IenW en LNV. Het leidt tot uiteenlopende signalen richting campusorganisaties. ‘Campussen zouden het erg prettig vinden als het Rijk met één mond spreekt', zegt Wermelink. De Kamerbrief benoemt dat de REV departementsoverstijgend is opgezet en dat EZK de coördinerende rol krijgt. Dat is volgens het TG-onderzoek noodzakelijk, omdat campusontwikkeling steeds vaker sectoren en bestuurslagen overstijgt.

‘Campussen zouden het erg prettig vinden als het Rijk met één mond spreekt’ 

Ook wijzen de opstellers van het onderzoek erop dat campussen buiten de Randstad relatief meer barrières ervaren, terwijl hun regionale betekenis groot is. Bijvoorbeeld omdat de huren van vastgoed lager liggen waardoor de onrendabele top van incubators hoger is. De Kamerbrief erkent dat brede welvaart alleen kan worden bereikt als economische kansen over het hele land toegankelijk blijven. Daarmee wordt de vraag urgent: kiest het Rijk voor gerichte investeringen in de grote, gevestigde campussen, of juist ook in campussen die nog in de groeifase zitten maar strategisch potentieel hebben? Die afweging raakt direct aan de kern van de REV.

Wat uit onderzoek en Kamerbrief naar voren komt, is dat campussen op een kruispunt staan. Hun economische waarde staat buiten kijf, maar die waarde kan alleen worden verzilverd als het Rijk bereid is keuzes te maken over ruimte, randvoorwaarden, investeringsinstrumenten en samenwerking. Wermelink vat de stemming samen: ‘Ze zijn blij met de aandacht vanuit het Rijk. Maar aandacht alleen is niet genoeg. Wat ze echt nodig hebben is stabiliteit, duidelijkheid, doorzettingsmacht en structurele financiering. Anders blijft het bij goede bedoelingen.’

bedrijventerrein TwynstraGudde campussen Ministerie van Economische Zaken