De circulaire economie krijgt volop aandacht, maar wie een recente whitepaper van Stec Groep, een rapport van Utrecht Advies naast een manifest van de 20 circulaire regio’s leest, ziet vooral wat ontbreekt: ruimte. Daarnaast, Nederland wil onafhankelijker worden van kritieke grondstoffen, maar faciliteert het hergebruik nauwelijks. Sterker nog: de ruimte die nodig is voor circulaire bedrijvigheid verdwijnt, terwijl juist daar onze strategische autonomie van afhangt.
Volgens de whitepaper van Stec Groep en Innovatiespotter zijn er inmiddels bijna 50.000 circulaire bedrijven actief in Nederland. Toch komt de opschaling nauwelijks op gang. Niet omdat ondernemers niet willen, maar omdat ze letterlijk geen plek hebben.
‘De circulaire economie is in Nederland allang geen niche meer’, zegt Evert-Jan de Kort, senior partner bij Stec Groep. ‘Er zijn volop ondernemers die circulair willen werken. Het probleem is dat beleid, ruimte en financiële randvoorwaarden onvoldoende ingericht zijn op hun groei.’
Dat ruimtegebrek is geen detail, maar de kern van het probleem. Op bedrijventerreinen is volgens Stec Groep alleen al 6 tot 15 procent extra ruimte nodig om de circulaire economie goed te faciliteren.
Utrecht Advies gaat nog een stap verder en stelt dat de ruimtevraag in de provincie Utrecht richting 2050 met tientallen procenten kan toenemen. Tegelijkertijd neemt de beschikbare ruimte juist af door woningbouw, energie-infrastructuur en andere claims.
Hieruit kunnen we vaststellen dat zonder ruimtelijke keuzes de circulaire economie blijft steken in pilots en goedwillende pioniers.
Niet alles kan overal
Wat zowel de whitepaper, het advies en het manifest laten zien, is dat de circulaire economie geen milieubeleid is, maar ruimtelijk-economisch beleid. De vraag is dus niet of overheden moeten sturen, maar hoe.
De eerste en meest fundamentele vorm van sturing zit in het maken van keuzes. Niet alles kan overal, en zeker niet in een circulaire economie.
Utrecht Advies is daar duidelijk over in haar advies: overheden moeten bepalen “welke economische functies gewenst en passend zijn in de circulaire samenleving en de ruimtelijke consequenties daarvan.”
Dat betekent dat provincies en gemeenten moeten kiezen welke grondstofketens zij willen faciliteren, waar circulaire hubs komen en - minstens zo belangrijk - welke lineaire activiteiten worden afgebouwd. Zonder die keuzes blijft de circulaire economie een vrijblijvende ambitie die het in de praktijk verliest van financieel aantrekkelijkere functies.
Het manifest van de 20 circulaire regio’s onderstreept dit, al gebeurt dat minder impliciet. Gemeenten worden opgeroepen om circulariteit structureel te verankeren in beleid en uitvoering, onder meer via gebiedsontwikkeling en economische programmering.
Daarmee wordt feitelijk gevraagd om circulaire economie niet langer als thema, maar als ordeningsprincipe te hanteren. Maar kiezen alleen is niet genoeg. De tweede vorm van sturing is beschermen.
Ruimte maken voor circulariteit
De publicaties laten zien dat juist de plekken die essentieel zijn voor de circulaire economie - bedrijventerreinen met milieuruimte, logistieke bereikbaarheid en ruimte voor opslag - onder druk staan. Zware industriële bedrijven zijn vaak een spil in een ecoysteem en keten van een bepaalde grondstof, bijvoorbeeld een chemiereus voor plastics. Zodra zo'n grote speler weggaat kan ook het daaraan gerelateerde ecosysteem moeilijk door. Ze verdwijnen of worden ‘verkleurd’ naar woningbouw, omdat dat financieel aantrekkelijker is.
‘Wie circulaire groei wil, moet daar ook letterlijk ruimte voor maken’, stelt Jorik van der Wiel van Stec Groep in het persbericht naar aanleiding van de whitepaper. Utrecht Advies spreekt in dat kader over het voorkomen van “onomkeerbare keuzes” . Als bedrijventerreinen eenmaal zijn getransformeerd, komen ze niet meer terug. Daarmee verdwijnt ook de fysieke basis onder de circulaire economie.
Wie circulaire groei wil, moet daar ook letterlijk ruimte voor maken'
Hier ligt een duidelijke taak voor zowel gemeenten als provincies. Gemeenten kunnen via omgevingsplannen en grondbeleid sturen op functietoedeling en vestigingseisen. Provincies hebben via de omgevingsverordening en regionale programmering de mogelijkheid om strategische bedrijventerreinen aan te wijzen en te beschermen.
Het Rijk kan dit ondersteunen door nationale kaders te stellen, focus op ketens die bij een regio passen en ruimteclaims expliciet maken in ruimtelijk beleid.
Andere ruimtelijke logica
De derde en misschien minst zichtbare vorm van sturing is organiseren. Want zelfs als er voldoende ruimte is, betekent dat nog niet dat die ruimte goed wordt benut.
Circulaire activiteiten vragen om een andere ruimtelijke logica. Niet losse kavels, maar ecosystemen. Niet concurrentie om ruimte, maar samenwerking in ketens.
Denk aan grondstoffenhubs, circulaire ambachtscentra en bedrijventerreinen waar bedrijven gezamenlijk gebruikmaken van opslag, energie en logistiek.
‘Circulaire activiteiten vragen om een andere ruimtelijke logica’
Utrecht Advies benadrukt dat het grootste deel van de transitie plaatsvindt bij bestaande bedrijven, die andere ruimtelijke behoeften krijgen. Dat vraagt om herstructurering, clustering en het beter benutten van bestaande terreinen.
Het manifest sluit hierop aan met concrete handvatten, zoals het ontwikkelen van circulaire ambachtscentra en het stimuleren van samenwerking op bedrijventerreinen.
Dit is misschien wel de lastigste vorm van sturing, omdat het vraagt om regie zonder volledige controle. Overheden moeten hier optreden als verbinder, investeerder en soms als launching customer, bijvoorbeeld het stimuleren van circulair inkopen.
En er is eigenlijk nog een vierde vorm van sturing: stimuleren onder andere met subsidies (grondprijs) en regelgeving (bijmengverplichting). Circulaire economie helemaal door de markt laten regelen lijkt niet te werken, dus we moeten de portemonnee trekken.
Actief ruimte beleid
Wat deze drie vormen van sturing samen duidelijk maken, is dat de circulaire economie niet vanzelf landt. Zonder actief ruimtelijk beleid worden circulaire bedrijven verdrongen, blijven ketens open en stagneert de transitie.
Of zoals De Kort het stelt: ‘Als Nederland minder kwetsbaar wil worden voor schokken in internationale grondstoffenketens, moet circulariteit een volwaardige economische en ruimtelijke prioriteit worden.’
De Week van de Circulaire Economie onlangs liet zien dat de wil er bij iedereen is. De vraag is nu of overheden, gemeentes, provincies en het Rijk, bereid zijn om de consequentie daarvan te trekken. Want circulaire economie gaat uiteindelijk niet over afval of innovatie, maar over iets veel fundamentelers: wie krijgt de ruimte om de economie van de toekomst vorm te geven.