Beleid voor strategische autonomie vraagt om een regio- en bedrijfstakspecifieke implementatie, stelt het Planbureau voor de Leefomgeving. Regio’s als Groningen, Flevoland en Zuid-Holland kunnen economisch hard geraakt worden als we strategisch autonomer worden, terwijl andere landsdelen juist kunnen profiteren van Europese strategische autonomie.
Dat stellen onderzoekers van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in de policybrief ‘Tussen globalisering en autonomie'.
Dat geopolitieke ontwikkelingen zoals de afsluiting van de Straat van Hormuz of de tekorten tijdens de Covid-pandemie tot prijsstijgingen leidden, laat zien hoe afhankelijk de Nederlandse economie is van landen buiten de EU. Met beleid voor strategische autonomie willen Nederland en Europa die afhankelijkheid verminderen.
Het economische beleid was decennialang gericht op globalisering en vrijhandel. Het streven naar strategische autonomie en de omschakeling naar industriebeleid vraagt om nieuwe beleidsinstrumenten en regiospecifiek beleid.
‘Zo zijn bedrijven in Noord-Holland, Zuid-Holland en Noord-Brabant veel meer afhankelijk van producten van buiten Europa dan bedrijven in andere provincies’, aldus het PBL in een persbericht over de policybrief.
Effectief beleid sluit volgens het PBL aan op de specifieke kenmerken van regio’s en bedrijfstakken. En omdat de productie van Nederlandse bedrijven via toeleveranciers verweven is met de Europese economie, vraagt dit bovendien om Europese afstemming.
Europa bracht daarvoor eerder al de ‘Industrial Accelerator Act’ in stelling om de eigen industrie te versterken en minder afhankelijk te worden van producten van buiten Europa. Om gericht ondersteunend beleid vorm te geven, zijn volgens de PBL-onderzoekers concrete doelstellingen en een uitwerking van deze Europese beleidslijn nodig.
‘Minder afhankelijk worden vraagt om gerichte veranderingen in technologie, productie en handel’, betogen onderzoekers Frank van Oort en Mark Thissen. ‘Bij het verminderen van afhankelijkheid moeten beleidsmakers oog hebben voor specifieke bedrijvigheid in Nederlandse regio's, en voor alternatieve markten in Europa en daarbuiten.’
Aanpassingen Zuid-Holland het ingrijpendst
Volgens het PBL moeten bedrijven in Zuid-Holland hun productieprocessen ingrijpender aanpassen dan bedrijven in andere provincies. ‘Nationaal beleid dat overal hetzelfde is, mist daardoor per definitie zijn doel’, aldus Thissen.
Het goede nieuws is: het Nederlandse industriebeleid richt zich volgens de onderzoekers vaak al op specifieke regio’s en bedrijfstakken, zoals de halfgeleiderindustrie rond Eindhoven of de biotechnologie in de Randstad.
‘Hier zijn investeringen nodig in technologische verandering of het veranderen van toeleveranciers om strategische autonomie te bereiken’, zegt Thissen.
Concurrentiekrachtbeleid en strategisch autonomiebeleid kunnen daarmee worden verbonden in één samenhangende ruimtelijke investerings- en innovatiestrategie, stellen de onderzoekers. Die strategie moet ook Europa-breed worden afgestemd.
De economische gevolgen van strategisch autonomiebeleid zijn op nationaal niveau vaak beperkt, omdat positieve en negatieve effecten elkaar deels opheffen. ‘Achter dat gemiddelde gaan echter grote regionale verschillen schuil. Internationaal georiënteerde bedrijvigheid in Noord-Holland, Zuid-Holland en Noord-Brabant is meer dan gemiddeld kwetsbaar voor toegang tot buitenlandse producten en afzetmarkten’, constateren de onderzoekers.
Grote verschillen regio's
In een illustratief scenario waarin Europa 25 procent minder afhankelijk wordt van niet-Europese producten en de rest van de wereld op vergelijkbare wijze reageert, kennen Gelderland en Overijssel een lichte groei in toegevoegde waarde, terwijl Groningen, Flevoland en Zuid-Holland een krimp van 3 tot 4 procent ondervinden.
‘De verschillen binnen één provincie zijn vaak nog groter: zo krimpt in Gelderland de chemie met ruim veertig procent, terwijl de elektronica- en machine-industrie in dezelfde provincie met een vergelijkbaar percentage groeit.’
Zonder duidelijke doelen en beleidsinstrumenten is moeilijk in te schatten in welke regio en bedrijfstak de gevolgen groot zullen zijn, maar wel is duidelijk dat de effecten sterk variëren tussen regio's en bedrijfstakken. ‘In bepaalde lokale bedrijfstakken kunnen veel banen verloren gaan. Gericht beleid om deze gevolgen op te vangen, kan helpen’, zeggen de onderzoekers.
Op 25 juni debatteert de Tweede Kamer-commissie Economische Zaken over innovatie- en industriebeleid.